Emails van Jan Andries

(20-Oct-1996)
Nog geen lente

Nou, dat van die aankomende lente kunnen jullie nog wel even vergeten. De ochtend na de start van deze brief donderde de temperatuur in elkaar. Mijn bezoek aan ons 'buitentoilet' (een meeltonnetje in de sneeuw met een wc-bril erop) vond plaats bij een temperatuur van exact minus 19.8 graden Celcius en een windje van ruim 4 Beaufort (Jeroen heeft het weerstation geïnstalleerd, zodat we dit soort historische gegevens kunnen vastleggen). Wind en kou zijn samen voldoende om je zelfs in de tijd van een 'spoed-poep' werkelijk helemaal tot op het bot te doen verkleumen. Ik heb het even opgezocht in de 'windchill'-tabel: de 'gevoelstemperatuur op het toilet was zo ongeveer -45 graden Celcius! Het is daarna ijzig koud gebleven, maar de 19e en 20e hebben we toch nog redelijk buiten kunnen werken.

Met de knie gaat het goed: als ik lang stilzit wordt hij nog gevoelig, maar ik huppel (nou ja, drentel) weer als vanouds rond. De 21e sneeuwde het echter de hele dag waardoor alles onder een 25 cm dikke witte deken werd bedolven. Vannacht heeft de wind de sneeuw wat verplaatst en dikke richels gevormd. Ik moest de 'dunny' (het toilet) onder een meter sneeuw vandaan graven. Geen weer dus deze dagen om van de klif af te dalen en daarom weer wat tijd om te schrijven. We gaan straks hoogstens de zonnepanelen op de top van de klif uitgraven om te zorgen dat de nesten blijven werken.

Ik zal verder trachten een enigzins chronologische volgorde van onze reis aan te houden om jullie niet al te veel in verwarring te brengen. We zitten hier nu bijna drie weken op Ardery, maar ik ben al ruim 6 weken, vanaf 9 September, van huis (voor wie geïnteresseerd is: Hans houdt thuis een exacte dagtelling bij). Om te beginnen ben ik ruim twee en een halve week op de Australian Antarctic Division in Kingston, Tasmania, doende geweest met de laatste voorbereidingen: de gebruikelijke paniek van zoekgeraakte luchtvracht (het achterhouden en verstoppen van dat spul lijkt een hoofdtaak van de douane te zijn); niet tijdig arriverende bestellingen etc. Daar kwam nog bij dat Jeroen ziek werd en met een zware antibiotica kuur zijn vlucht uitstelde. Uiteindelijk kwam natuurlijk toch alles weer op zijn pootjes terecht. Gezien de grote hoeveelheid bagage had het Ardery Island programma een afzonderlijke container toegewezen gekregen, en nog net op tijd heb ik alles er in kunnen stoppen. Zo'n 1200 kg uitrusting vanuit Nederland, in Kingston aangevuld met nog 800 kg andere materialen. De simpele tijden dat je met een paar kisten kleren, een verrekijker een ringtang en wat papier op stap ging, zijn voorbij. Techniek is mooi, maar het weegt wel! Onze ruim 40 kunstnesten wegen samen ca 500 kg, maar om het zaakje te laten lopen heb je kilometers kabel, stapels zonnepanelen, windmolens, regelkasten, en niet te vergeten veel, erg veel, accu's nodig (alleen die wegen al zo'n 350 kg). Na de pakzenuwen kwam dus de angst hoe dat alles ooit op Ardery terecht zou moeten komen.

De rest van de tijd in Kingston heb ik besteed aan gesprekken met vele mensen en het schrijven van een document dat de Antarctic Division poogt te overtuigen van de noodzaak voor meerjarige afspraken omtrent een stormvogel-programma. De Division is sinds een jaar of 3 (!) doende met een zogenaamde 'Strategic Planning', met als resultaat dikke maar nietszeggende rapporten en een volstrekte besluiteloosheid. Zelfs hun eigen belangrijke lange-termijn programma's krijgen maar voor een enkel jaar toestemming omdat niemand zijn vingers durft te branden. In Nederland had ik, om het Ardery project door te laten lopen, mijn financierings aanvragen voor de periode 1998-2000 al in de afgelopen zomer moeten indienen. Gelukkig heb ik daarvoor een jaar uitstel kunnen krijgen. Het gaat om veel geld en veel van mijn werktijd, en dus wil je toch wel enig zicht op de kansen op uitvoering van de plannen. Straks in januari ben ik nog een weekje op de Division, en dan wordt er verder gepraat en moeten knopen worden doorgehakt. De eerste dikke knoop is of we de hele mikmak hier voor volgend jaar op Ardery kunnen laten staan.

Willem en (gelukkig herstellende) Jeroen kwamen een kleine week voor vertrek van het schip aan om mee te helpen met allerlei last-minute klussen, zoals de data-link die ons nu in staat stelt jullie vanuit deze uithoek een email te sturen. Zij moesten ook nog 2 dagen op 'field-training' voor onderricht in vaardigheden als abseilen, tenten bouwen en het koken van droogvoer maaltijden op een benzinebrander. Aanvankelijk zou ik ook moeten, maar er bleek te weinig plaats zodat men de oude knakkers op het laatste moment uitzonderde. In Hobart liep ik ook nog wat oude reisgenoten tegen het lijf: Russell Brand en Phil Bell bijvoorbeeld. Lekker samen gegeten en herinneringen opgehaald. Verder heb ik in Kingston weinig vrije tijd overgehouden: de verrekijker is het hotel niet uitgeweest en de meeste avonden was ik nog maar net voor sluitingstijd in een restaurant om het avondeten naar binnen te schrokken.

Op 26 Oct was dan eindelijk het vertrek uit de haven van Hobart. Ik zeg 'eindelijk' omdat het losgooien van de trossen een aangename vorm van rust geeft. 'Vergeten' is ook echt vergeten; niets meer aan te doen. Geen eindeloos gepieker meer over doe/bel/schrijf/koop/maak-lijsten die de voorgaande maanden mijn leven beheersten. Nu bleek dat maar goed ook, want eenmaal buiten de beschutting van Tasmania stond er een stevige zeebries met bijbehorende deining. De 'Aurora Australis', de bevoorradings en onderzoeks-ijsbreker van Australië, bleek toch wat minder schommel-bestendig dan ik uit de gelijkenis met de Duitse Polarstern had verwacht. In een krakend bed, heen en weer schuivend tussen hoofd- en voeteneinde heb ik de eerste 2 a 3 dagen doorgebracht. Wel telkens er uit om wat te gaan eten en drinken, soms met succes, andere keren minder. De vogels achter het schip hebben weer genoten! Willem had iets minder last, en Jeroen bijna helemaal niet. Toen ik uiteindelijk 'ingeschommeld' was (het aantal vogels nam onmiddelijk af) werd het leven aan boord beheerst door aanvullende fieldtrainingen, informatieve praatjes, overleg over de 'fly-off'-planning etc. Daarnaast werden we ingelicht over hoe ons te gedragen op Casey: in de afgelopen maanden was daar een soort 'muiterij' ontstaan. De mensen van het station hadden na een serie van problemen gedurende de winter geweigerd nog langer samen te werken met de station-leader Mark Goodall. Hoewel er toch wel vaak spanningen zijn als je met het eerste schip bij een station arriveert, was een officiele muiterij toch de eerste in zijn soort. Een speciale manager, Rob Easter, zat bij ons aan boord om te proberen tot kerst de zaak toch draaiende te houden. Complicaties volop dus. Met dat al kon ik slechts zo nu en dan een half uurtje naar buiten glippen om de wereld om ons heen te bewonderen (en een shaggie te paffen; roken is bij de Australische overheid geheel uitgebannen). Vreemd genoeg was het bijna uitgestorven: zelfs eenmaal in het ijs was er bijna geen pinguin of zeehond te zien. Koning winter regeerde nog met strenge hand.

Na een week varen, op 4 October, was het uur van de waarheid aangebroken. Aurora stopte, 's ochtends vroeg, voor een groot zwaar zeeijs-gebied op een kleine 100 mijl verwijderd van Casey station. Vanaf hier zouden de helicopters het moeten doen. Mijn herinnering aan 1986 was niet weg te drukken: toen lag ik hier ook vrij vroeg in het seizoen, maar na een aantal dagen slecht weer werd besloten Casey te laten voor wat het was, en eerst de andere Australische stations te gaan bevoorraden: toeristisch heel leuk, maar wel een vertaging van een maand in het onderzoek. Ditmaal waren de weergoden echter met ons: een strakblauwe hemel, prima zicht en heel weinig wind leverden de ideale helicopter omstandigheden. Het Ardery programma had een hoge prioriteit gekregen, en ik ging dan ook direct met de eerste vlucht van de 2 heli's naar Casey. Willem zou snel volgen, alleen Jeroen bleef op het schip achter als een levend onderpand om te zorgen dat al onze bagage weg zou komen. Photo Apples ArderyNa een uurtje vliegen over de ijswoestijn arriveerde ik op Casey en werd verwelkomd door de verguisde Mark Goodall. Al snel bleek dat, ondanks de blijkbaar slechte verhoudingen, alles tot in de puntjes was geregeld. Een tweede Apple-hut voor Ardery, enorme voedselvoorraden (twee pallets vol!), keukenuitrusting, radio-toestanden, etc, alles waar ik in mijn e-mails met de verschillende mensen over had geschreven, was prima voor elkaar. Binnen een paar uur kon ik dan ook met de eerste lading vracht doorvliegen naar Ardery, vergezeld van timmerman Christian ('Psycho'), loodgieter Trevor ('Possum') en de field-training officer Andy (nieuw; nog geen bijnaam).

De nog op Ardery staande hut bleek in prima conditie, maar stond vol met onbruikbaar oud voedsel van een Fransoos die hier vorig jaar gewerkt had. Gebruik makend van het schitterende weer hebben we direct de tweede hut laten overvliegen. Bij het neerzetten ging dat nog bijna mis, want de radio van de piloot viel uit zodat we hem niet meer konden vertellen waar hij hem los moest laten (het ding hangt recht onder de heli, dus zelf ziet hij niets). Uiteindelijk kwam hij, op kartonnen dozen met o.a. jampotten, tegen de andere hut aan, op de grond. Pas bij een tweede poging, de heli ditmaal sturend met armsignalen, kwam de hut op de bedoelde plek. De glazen jampotten hadden de mishandeling wonderbaarlijk overleefd; slechts van eentje was de schroefdeksel afgesprongen, maar het glas was nog heel! Kortom, deze operatie kon niet stuk. Willem en nog meer hulp arriveerden op een van de latere vluchten. Omdat onze bagage van het schip (en dus ook Jeroen) nog niet was overgevlogen en het weer er stabiel genoeg uitzag, zijn we 's avonds naar Casey teruggevlogen. Voor de stationsbemanning heb ik 's avonds een diapraatje over het Ardery onderzoek gehouden. Al die mensen sloven zich immers verschrikkelijk uit voor een groepje Hollanders, waarvan ze even het gezicht zien (Jeroens gezicht zelfs helemaal niet) en die vervolgens verdwijnen naar een geïsoleerd eiland en alleen maar per radio aangeven wat ze nog meer willen hebben. Met zo'n diapraatje (al was het dan op mijn tandvlees na de Ardery operatie) laat je toch een beetje weten waarvoor het allemaal gebeurt en kweek je wat goodwill.

De volgende ochtend direct na het ontbijt, zijn we met een groep van acht man weer naar Ardery gevlogen en werd begonnen met het invliegen van onze bagage van Aurora. Terwijl de anderen met de hutten bezig waren en een sneeuwkelder voor het diepvriesvoedsel groeven, heb ik met Andy een rondje over het eiland gemaakt. 'Occupational Health and Safety - OHS' (onze ARBO) wordt in Australie steeds belangrijker. Hoewel ik al 3 seizoenen over dit eiland geklauterd heb, moest er nu een veiligheidsrapport komen. Bij de klif naar het studie gebied voor Antarctic Petrels keek Andy zeer bedenkelijk. Toen alle bagage van Aurora eenmaal binnen was, met Jeroen, kregen wij drietjes van Andy een spoedcursus locale fieldtraining. Na een oefening in touwsystemen om een reddingsoperatie te kunnen uitvoeren, zijn we teruggegaan naar de klif voor het studiegebied van de Antarctic Petrels. Dat is een steile afdaling van zo'n 30 tot 40 meter. Op een soort terras halverwege de klif broeden de Antarctic Petrels. Vanwege de OHS moest hier een touwsysteem worden aangebracht. Op de twee steilste delen zitten nu echte klimtouwen waarlangs we abseilen met klimharnassen, en een lading karabiners en touwtjes aan gordels. Daartussen zit een richel waarlangs we nog los mogen lopen. Vroeger klauterde ik gewoon het hele stuk, en had alleen soms een soort geleide-touwtje hangen. Ik heb nog wat geprutteld over bewerkelijke toestanden en dat touwen ook niet altijd zo veilig zijn, maar OHS is wet (zelfs in deze uithoek) en Jeroen en Willem zagen 'los' klimmen ook helemaal niet zitten.

Ondanks dat we bij het aanbrengen van de touwen al enkele Antarctic Petrels hadden zien vliegen (van andere soorten nog vrijwel geen spoor) hebben we de eerste twee dagen besteed aan het inrichten van de hutten en het stormvast en enigzins georganiseerd opslaan van alle dozen en kisten buiten. Ook de eerste pogingen ondernomen om per radio-datalink emails te versturen en op te bellen. De techniek holt vooruit. Was in 1984/85 zelfs vanaf Casey maar nauwelijks contact met Yvonne mogelijk (een volstrekt onverstaanbare radio-verbinding via Australie), nu kan ik vanuit mijn hutje op Ardery per radio direct aansluiten op de sateliettelefoon van Casey en gewoon opbellen of e-mailen.

Op 8 October zijn we begonnen met het echte werk. Zonnepanelen en accus boven op de klif bij de Antarctic Petrels gezet en ruim 500 meter data-kabel uitgerold tussen de kolonie en de hut waar de centrale registratie-computer staat. In de kolonie zaten al enkele tientallen Antarctic Petrels druk te kakelen, te baltsen en nesten uit de sneeuw te graven. Onder de 14 vogels in het studie-deel van de kolonie waren verschillende gekleurringde vogels van mijn vroegere werk te zien. De nodige paartjes waren al vol overgave doende met het voortplantings-werk: 'Sex in the Freezer', waar je maar zin in hebt. De mannen hebben het er zwaar mee. Ik zag er eentje die na zijn hoogtepunt voorover van het vrouwtje met zijn kop in de sneeuw tuimelde en zo een tijdje zwaar puffend op zijn kop moest bijkomen voordat hij zijn waardigheid hervond.

De volgende dagen zijn we, voor zover het weer het toeliet, dagelijks bij de Antarctic Petrels aan het werk geweest. De eerste nesten hebben we ingegraven in de sneeuw, maar dat bleek geen succes want die ijsden al snel geheel in. Daarna hebben we dus de meer open plekjes opgezocht. Geleidelijk aan hebben we ook een flink aantal vogels gevangen, geringd (metalen en kleurring) en van microchips voorzien. Tot onze grote opluchting ging het injecteren van de microchips goed en lijken de vogels in het algemeen de nesten te accepteren. Beide punten waren een grote bron van vrees in de voorbereiding, want er was nooit gelegenheid geweest om dat uit te testen. Dat heeft me de nodige slapeloze angstige piekeruurtjes bezorgd! Op 10 Oct konden we echter al onze eerste microchip en gewichtslezing op de hutcomputer met een borrel vieren. Inmiddels hebben we de nodige duizenden metingen binnen. Uiteraard zijn er kinderziektes, maar die heeft Willem allemaal feilloos weten op te lossen. Sommige problemen blijven natuurlijk, want de sneeuw van de afgelopen dagen resulteert in nogal rare gewichten. Daarnaast zorgen Reuzenstormvogels voor problemen, want die komen geregeld een hapje eten in onze kolonie en veroorzaken daar grote paniek. De Reuzenstormvogels broeden op de Frazier Islands, maar vliegen even over naar de snackbar hier.

Omdat de Antarctic Petrels op dit moment nog de enige vogels op Ardery zijn, richt zich daar al hun aandacht op. Ik was verbijsterd over het gemak waarmee ze de Antarctics vangen. Ze gaan gewoon een tijdje rustig zitten wachten totdat er weer Antarctic Petrels in hun omgeving landen. Dan nemen ze een spurtje voor zover hun grote dikke platpoten dat toelaten, en onder de Antarctics is er dan bijna steeds wel een die toch niet snel genoeg wegkomt. Die wordt gegrepen, met een paar ferme zwaaien aan de nek om zeep geholpen, bij de buik worden de veren geplukt, en vandaar uit wordt het hele inwendige in een half uurtje genuttigd (inclusief microchip zoals bleek uit het kadaver van een door ons geringde vogel). De vroege start van het seizoen van de Antarctic Petrels moet toch wel heel belangrijke voordelen hebben want anders zou het veel verstandiger zijn te wachten tot ook de vele duizenden Fulmars en Kaapse Duiven terug zijn om de aandacht van de Reuzenstormvogels wat te spreiden.

Met de zware sneeuw van de afgelopen dagen zijn nu ook de Fulmars aan het arriveren. Voor zover de sneeuw het toelaat gaan we daar nu ook aan het werk met het installeren van nesten en het merken van de vogels. Zonnepanelen en datakabel naar de Fulmar-kolonie zijn al geïnstalleerd. Hoewel we nog geen echt slecht weer (storm) hebben gehad, vallen er toch nogal wat veldwerkdagen uit. Met deze kou is een matig windje voldoende om het vangen en ringen van vogels tot een ondoenlijke klus te maken. Eigenlijk zit ik nu te wachten op een korte echte storm, om het pak sneeuw uit te dunnen, zodat we weer de klif afkunnen. De periodes dat we niet echt buiten kunnen werken hebben we gebruikt voor klusjes rond en in de hutten. Weerstation en windmolen opzetten, databestanden op een zo goed mogelijke manier inrichten, brieven naar huis schrijven en dergelijke. We gebruiken bij de hutten meer energie dan we hadden voorzien. De windmolen was eigenlijk alleen maar een 'extra' als experiment, maar we blijken er sterk van afhankelijk te zijn. Tot dusverre staat dat ding tot grote voldoening geregeld in de wind te brommen, maar ik heb geen benul of hij de eerste echte storm zal overleven. Naast de reserve-molen die we al hebben liggen, hebben we daarom nog maar een extra exemplaar voor met de kerstboot besteld, en we krijgen ook nog wat extra zonnepanelen van Casey. Gelukkig worden de dagen steeds langer zodat we ook meer rendement van de panelen krijgen, maar we moeten zorgen dat Jeroen straks in februari/maart nog voldoende stroom heeft.

Wat betreft ons drietjes en het leven in de hutten: tot dusverre loopt dat prima en is er een goede samenwerking en wordt het nodige gelachen. Jeroen en Willem hebben hun slaap- en werkplek in de ene hut waar ook de centrale registratie-computer dag en nacht staat te draaien. Ik zit in de tweede hut, die tevens als keuken dient. Ook de grote VHF radio staat daar die we voor het emailen gebruiken. Willem heeft nu gelukkig een soort doorverbinding naar hun hut gemaakt zodat niet langer mijn bureautje door lange email-sessies in beslag wordt genomen. Werken in de keuken is niet altijd makkelijk, maar als snurker en roker was het het beste als ik de eenzame plaats bezette. Op de een of andere manier kost het sociale leven met zijn drietjes veel meer tijd dan vroeger vroeger op de tweepersoons expedities, maar het heeft ook zijn gezellige kanten. 's Ochtends vanaf half acht langzaam op gang komen met een uitgebreid ontbijt van warme muesli met thee en dan koffie, tussen de middag als we niet in het veld zitten vaak tosti-achtige toestanden (we hebben een gasbrander met grill/oven erbij!) en 's avonds een uitgebreide warme maaltijd na de radio-sked met Casey van 19.00 uur. Na het eten en de koffie begint het meestal al aardig bedtijd te worden en kom ik aan grotere bureau-klussen weinig toe. Al met al hebben we het hier weliswaar geregeld koud, maar toch prima naar ons zin. Veel spanningen of dingen wel zouden lukken zijn nu weg, en we kunnen gewoon rustig doorwerken aan datgene waarvoor het allemaal begonnen is. Kortom, het loopt lekker.

Photo rubberboatsOp Casey heeft men grote plannen om vrijdag a.s. met de rubber-boten hierheen te komen en ons spullen te brengen. Dat lijkt een typisch voorbeeld van Australisch positief denken, want voorlopig (woensdag) ligt de hele zee er nog stralend wit dichtgevroren bij. Te sterk voor boten, te slap voor een voertuig. Wie weet lukt het echter, en hebben we morgen een flinke storm om de zaak schoon te blazen en de dag erna mooi rustig weer om te varen. De bodem van de biervoorraad (met voedsel kunnen we nog maanden vooruit) begint geleidelijk aan in zicht te komen, dus bevoorrading is niet echt noodzakelijk maar best wel welkom.


Email van Jan Andries #1